![]() |
ABOUT RESTORATION |
![]() |
|||||||
Restoration of Oil Paintings and Frames |
|||||||||
RESTAURATIE VAN SCHILDERIJEN |
|
||||||||
|
SCHADE DOOR INSECTEN De studie van de insecten wordt entomologie genoemd. Omdat restaurateurs van olieverfdoeken ook wel met andere objecten in musea te maken krijgen, worden in dit hoofdstuk niet enkel insecten vermeld die schadelijk zijn voor schilderijen op textiel, maar voor kunstcollecties in het algemeen.
ALGEMEEN
Insecten behoren tot de ongewervelde dieren, ze hebben geen inwendig skelet. De huid is verhard tot een pantser van chitine dat het lichaam beschermt en als aanhechtingsplaats voor de spieren dient. Insecten vormen de grootste groep binnen de geleedpotigen (Arthtopoda), de zogenaamde hexapoda of zespotigen. Insecten hebben altijd zes poten. Soms bezitten ze bovendien één of twee paar vleugels. Wanneer de voorste vleugels zijn verhard, vormen ze dekschilden, zoals bij kevers. Het lichaam bestaat uit drie delen: 1. de kop (met ogen, bijtende of stekende monddelen en voelsprieten of antennes) ; 2. het borststuk of thorax, dat verdeeld is in drie segmenten. Aan ieder zit een paar poten, vaak zitten er aan de achterste segmenten een of twee paar vleugels ; 3. het achterlijf (of het abdomen) dat verdeeld in segmenten, die ieder twee ademopeningen hebben waardoor zuurstof wordt opgenomen die via een buizen- of tracheeënstelsel naar de organen wordt vervoerd.
Hun microklimaat wordt bepaald door de aanwezigheid van : Zuurstof : is nodig voor de verbranding van voedsel en het opwekken van energie. Insecten hebben geen longen, ze nemen zuurstof op via openingen in de huid. Voedsel : insecten halen de benodigde voedingsstoffen uit organisch materiaal. Sommige insecten eten alles (bijvoorbeeld kakkerlakken en broodkevers); sommige hebben een voorkeur voor plantaardig materiaal (bijvoorbeeld houtboorders en tabakskevers). Andere insecten verkiezen dierlijk materiaal (bijvoorbeeld spekkevers, tapijtkevers en motten). Vuil, vet, stof, zweet en urine leveren extra voedingsstoffen op en "vuil" materiaal is veelal aantrekkelijker voor insecten dan "schoon" materiaal. Warmte : activiteit en ontwikkeling van insecten worden bepaald door externe temperatuur. Insecten blijven in leven bij een temperatuur van tussen 5 °C en 45°C, maar hun ontwikkeling is optimaal tussen 15 °C en 35°C. Vocht : De meeste insecten kunnen zich ontwikkelen bij een Relatieve Vochtigheid (RV) van 50% tot 90%. De optimale conditie ligt rond de 70%. Sommige soorten hebben zich aangepast aan droge omstandigheden; andere hebben een hoge RV nodig (zilvervisjes). Sommige soorten halen vrijwel al het benodigde vocht uit het voedsel (bijvoorbeeld houtboorders, die een vochtgehalte van meer dan 10% in het hout nodig hebben om te overleven). Sommige soorten soorten hebben een hoge RV nodig omdat ze zich voeden met de schimmels die op vochtig materiaal groeien. Licht : licht bepaalt vaak het gedrag van insecten. Volwassen tapijtkevers vliegen op het licht af, terwijl zilvervisjes en motten juist lichtschuw zijn. Het gedrag kan een belangrijke rol spelen bij het detecteren van insecten. Beschutting : het gedrag van insecten wordt ook bepaald door de behoefte aan beschutting. Kakkerlakken kruipen weg in richels en kieren. Franjestaarten zoeken beschutting en lopen langs de plinten van de ruimte. Er zijn slechts dertien families van schadelijke kevers die we in kunstcollecties kunnen aantreffen. Families van schadelijke kevers zijn : 1. Cleridae (bontkevers). 2. Dermestidae (spekkevers). 3. Cryptophagidae (schimmelkevers). 4. Lathridiidae (schimmelkevers) 5. Lyctidae (spint kevers). 6. Bostrychidae (boorkevers). 7. Anobiidae (klopkevers). 8. Ptiniidae (diefkevers). 9. Tenebrionidae (zwartlijven). 10. Cerambycidae (boktorren). 11. Bruchidae (zadenkevers). 12. Curculionidae (snuitkevers). 13. Scolytidae (schors- en bastkevers).
----------------------------------------------------------- LEES OOK : PINNINGER, David; WINSOR, Peter, Integrated Pest Management : A Guide for museums, libraries and archives, MLA, London, 2004. LEES OOK : BROKERHOF, Agnes; van ZAANEN, Ben; van de WATERING, Ko; PORCK, Henk, Het loopt in de papieren : geïntegreerde bestrijding van insecten in collecties, ICN, 2003. LEES OOK : FOHRER F., BASLE K. en DANIEL F., Problématique de l'infestation des colles de rentoilage des peintures de chevalet par le Stegobium paniceum (L.), in : Support tracé, n° 6, 2006, p. 78-85. LEES OOK : COCQUEMPOT, C. en VALLADARES L., Datation des déprédations de termites et autres insectes xylophages de l'habitat et du bois d'oeuvre, in : Le Cahier technique de l'INRA, vol. 67, 2009, p. 31-42. LEES OOK : LACLOS E. (de) en BÜCHE B., La vrillette sans peine (Coleoptera Anobiidae), in : L'entomologiste, vol. 64, n° 1, januari-februari 2008, p. 3-10 ; vol. 64, n° 4, juli-augustus 2008, p. 217-220 ; vol. 65, n° 1, januari-februari 2009, p. 13-20 ; vol.65, n° 4, juli-augustus 2009, p. 207-213. LEES OOK : MARTINEZ et FROHRER F., Les insectes xylophages : qui sont-ils ? que mangent-ils ?s, in : PHM-Revue horticole, Maisons-Alfort, France, n° 508, p. 11-13., 2008.
VOETNOTEN :
| |||||||||