SPIEËN
Een spie is een pin, bout, of kleine wig, ook knevel genoemd, waarmee iets vastgezet of gesloten wordt, in het bijzonder de pin die een in een gat aan het einde van een balk wordt gedreventeneinde deze op te sluiten (1). In de schilderkunst betekent een spie een driekoekig stukje hout met één rechte zijde en één schuine zijde, die in de verbindingsgaten van het spanraam geslagen worden, om zo het spanraam te doen uitzetten.

Spiën : De vezelrichting van het hout van de spie is evenwijdig met de "aanliggende zijde " van de driehoek
De spieën zijn meestal in hardhout gemaakt, zoals eiken of olm. De vezelrichting van het hout van de spie moet evenwijdig zijn aan de "aanliggende zijde " van de driehoek.

b= de aanliggende zijde
c= de hypotenusa
Bij het inslagen van de spie drukt de aanliggende zijde tegen de kopse kant van de lat en zal daarom ook gemakkelijk in het spangat schuiven.
De schuine zijde van de spie (de hypotenusa) is schuin op de vezel gezaagd en voelt ruw aan . Deze zijde schuift beter op de langsvezel van de spanlat.
Er is dus maar één juiste wijze waarop de spieën in de spangaten zitten. Merk op dat de korte zijden van de spieën ten opzichte van het verstek schuin afbuigen.
 
Links : correcte positie van de spieën in een verstek
Rechts : fouive positie van de spieën in een verstek
Worden de spieën verkeerd ingedreven, dan bestaat de kans dat ze in de spangaten splijten, zich door het doek boren en het gele doek misvormen.
Wordt de spie gezaagd uit langsdraads gezaagde planken, waarbij de draad van het hout schuin op de hypotenusa van de driehoek staat dan schuift kan bij het indrijven van de spie de schuine kant (deels kopshout) op de uitgeschuinde (ook kopshouten) kant van de spanlat.
Die uitschuining is erg ruw, zodat er te veel druk op die kopse kant ontstaat tijdens het indrijven van de spie. De kans is zeer groot dat de spie breekt of vast komt te zitten.
Worden gebroken spieën verder ingeslagen, boren ze zich doorheen de omslag van het doek. Daarom worde de scherpe punten van de spieën afgezaagd !
De éne helft van de gebroken spie blijft in het spangat vast zitten. Het andere deel slaat men er zonder het te weten er naast verder in.
Het gevolg hiervan is dat de het spangat uitzet (dikker wordt) en beschadigd wordt of dat één van de lippen van de verbinding breekt. Het uitzetten van het spangat vervormd het doek; de uitstulping van het spangat kan in het ergste geval het hele doek vervormen.

Schematische voorstelling van een gebroken spie in een spangat. De spanlat breekt en verheft zich naar buiten toe. Hierdoor treedt een vervorming van het doek op. Het doek rust nu deels op het gebroken deel van de spanlat en vervormt.
Spieën die onjuist zijn ingeslagen zijn moeilijk te verwijderen. Het wordt dan moeilijk om de gebroken spie te vervangen, zonder het hele spanraam te demonteren.
Om te voorkomen dat de spieën tussen het doek en het spieraam terecht komen, maakt men ze vast met een touwtje aan de achterkant van de spanlatten. NIET aan de verbindingen ! Die moeten immers ten alle tijden kunnen uitzetten.

Spieën die met een touwtje in de spanlatten zijn vastgemaakt.
Er bestaan ook speciale "borg-klemmen" in kunststof, waarmee de spie wel vooruit kan worden geschoven (dus dieper in de spanlat) maar niet achteruit. Dan moet bij het verwijderen van de spie die klem eerst verwijderd worden.
Vroeger werd een spijkertke (meestal een klompnagel) achter de spieën geslagen zodat een uitschuivende spie door de spijker werd tegengehouden.

Spieraam van een portret door Cornlis Cells (eerste helft van
de negentiende eeuw). De spijkertjes (zonder kop) verhinderen
de spieën om uit de spangaten te vallen.
VOETNOTEN :
(1) HASLINGHUIS, E.J., Bouwkundige termen, Bohn, Scheltema & Holkema, Utrecht/Antwerpen, 1986.
|