![]() |
ABOUT RESTORATION |
![]() |
|||||||
Restoration of Oil Paintings and Frames |
|||||||||
RESTAURATIE VAN SCHILDERIJEN |
|
||||||||
|
DE GRONDERINGSLAAG Een grondering bestaat uit een bindmiddel , een vulstof en een doorgaans wit pigment. Soms werd er nog kleurpigment aan toegevoegd om speciale effecten te bereiken. De combinatie van die produkten leidt tot een soort dikke verf, die op de ondergrond werd uitgestreken en die na drogen kon worden afgeslepen (gepuimd) om een glad en effen oppervlak te bereiken. Dierlijke lijm (1) werd in een waterige oplossing met fijn gewreven natuurkrijt (dat wil zeggen : zoals het in de natuur gevonden wordt) tot een pasteuze vloeistof gemengd. Deze pasta werd met een kwast op het doek uitgestreken. Deze methode wordt nog steeds aangewend, niettegenstaande de opkomst van synthetische bindmiddelen zoals acryl- en alkydhars of polyvenylacetaat.
GESCHIEDENIS In zijn " Libro dell'Arte " beschrijft Cennino Cennini (1370-1440) de techniek van Giotto. Die zette, weliswaar op paneel, eerst een dikke gronderingslaag met als vulstof grove gips (gesso grosso) . Daarop kwamen dan twee of meer lagen met fijne gips (gesso sotile). "Gesso" is een algemene term die in de Italiaanse schilderkunst veel gebruikt werd om een ondergrond in gips of krijt te duiden. Giorgio Vasari (1511-1574) vermeldt voor het eerst in zijn " Vite de' più eccellenti architetti, pittori, et scultori italiani, da Cimabue insino a' tempi nostri " (1550) hoe panelen en doek werden gegrond. In Italië en Zuid-Europa werd vooral gips ( CaSO4 of calciumsulfaat ) als vulstof gebruikt, terwijl krijt ( CaCO3 of calciumcarbonaat ) in Noord-Europa vaker als vulstof voor gronderingen gebruikt werd. Gips werd in Mediterrane landen vooral uit albast gewonnen. Albast werd gebrand, waardoor de kristalstructuur van het gesteente verdwijnt en de chemische samenstelling door het verlies van een deel kristalwater verandert.
Titelpagina uit Giorgio Vasari, Vite (...),
De grondering werd met een kwast in verschillende lagen (meestal tussen zes en acht lagen) op het doek gestreken. Elke laag werd pas aangebracht als de vorige droog was. De laatste laag werd met puimsteen (of schuurlinnen) vlak geslepen, om zo de vlakheid van een paneel na te bootsen. Kunstschilder en historicus Karel van Mander (1548-1606) vermeldt in zijn " Het Schilder-Boeck " uit 1604 dat sommige schilders op deze grondlaag nog enkele lijmverflagen (loodwithoudende olieverflagen) aanbrachten, die elk vlak geschuurd werden : "Hy [Pieter Pourbus de Oudere] was oock goet Cosmographus, oft Landt-meter, en maeckte voor de Heeren van den Vryen te Brugge, eenen grooten Oly-verwe doeck, van t'Landt van de Vryen, met alle de Dorpen en plaetsen daer onder begrepen: doch also hy hem te dick ghewit hadde met Lijm-verwe, en dickwils op en af gherolt wiert, sprongh oft schilferde hy te veel plaetsen af." (2).
Titelpagina uit Karel van Mander, Het Schilder-
Sommige schilders brachten echter structuur in de gronderingslaag aan, door met de handpalm of met een dasborstel te tamponeren of door grove korrels krijt, puimsteen of gips in de lijmgrond te mengen. Het gaf hen niet enkel meer structuur in het beeld, maar door het ruwe oppervlak hechtte de verf (ook na het drogen) beter aan het doek. In de zeventiende eeuw werd meer en meer wijdmazig grof doek gebruikt. Het voorlijmen gebeurde ook minder zorgvuldig en de grondering drong dan door de mazen van het doek. In dat geval merkt men aan de achterkant van het schilderij talloze witte knobbeltjes van doorgedrongen gronderingsmasa. De samenstelling en de opbouw van gronderingen bleef eeuwen onveranderd. Pas in de negentiende eeuw werd met andere samenstellingen geëxperimenteerd, wat soms catastrofale gevolgen had (zie Antoine WIERTZ ).
GRONDERINGSTYPES Er zijn zes gronderingstypes : 1. Krijtgrondering (of lijmgrondering) : dit is een matte en watergevoelige sterk zuigende grondering die gevormd wordt door een huidenlijm met gronderingskleur of door een sterk gepigmenteerde mat opgespoten dispersiekleur. Doeken, die niet verplaatst hoefden te worden , werden met een harde gronderingslaag bestreken, daartoe gebruikte men dierlijke lijm (3) als bindmiddel. Ondanks het feit dat deze lijmgrondering zeer hard werd noemde men het een "zachte" grondering. Met "zacht" bedoelde men dan dat de laag beter kon worden geschuurd. 2. Halfkrijtgrondering (of emulsiegrondering) : dit is een gesso of krijtgrondering dat een emulsie als bindmiddel heeft dat bestaat uit een olie, dierlijke lijm, ei en een hars. Het zijn meestal zijn naar conventionele recepten gefabriceerde gronderingen, waarvan de beelddrager met dispersiekleuren bedekt zijn. Ze zijn redelijk waterafstotend. Dit wil zeggen dat ze een middelmatige zuigkracht hebben en dat de verflaag goed aanhecht. Ze kunnen herkend worden door een lichte glans. De half-olie/half-lijmgrondering behoort hier toe. 3. Oliegrondering : dit is een grondering met als bindmiddel een drogende olie bevat, meestal lijnolie. Een oliegrond is meestal niet-absorberend en elastisch. Maar met de tijd wordt het even hard als een krijt of halfkrijtgrondering. 4. Acrylgrondering (of acrylgesso) : dit is een grondering die pas in de tweede helft van de twintigste eeuw werd uitgevonden en waarvan het bindmiddel bestaat uit kunsthars. Ze is elastisch en stabiel. Maar of deze grondering ook de tijd zal trotseren is onzeker. Tenslotte heeft men te weinig ervaring met dit soort grond. 5. Bolusgrondering (of kleigrondering) : dit is een gekleurde grond (meestal in roodachtige, bruinachtige of grijsachtige kleuren) waarvan het hoofdbestandeel Armeense bolus bevat. Deze grondering vindt haar oorsprong in de watervergulding. 6. Composiete (of gemegde) grondering : dit is een grond die elementen van bovenstaande gronderingen als bestanddelen heeft.
Olieverfschilderingen moeten niet altijd op een oliehoudende preparatielaag geschilderd worden Ze kunnen ook (en bij voorkeur) op een lijmpreparatielaag worden geschilderd. Deze lijmpreparatie wordt een "magere preparatielaag" genoemd. Voor de restaurateurs van olieverfschilderijen zijn de lijmgrondering (4) en de oliegrondering van historisch belang. Het verschil tussen beide gronderingen ligt in de samenstelling van het bindmiddel.
LEES OOK : - , GROUND : Function, Types, History and Use. LEES OOK : - , GESSO : Gesso Grosso, Gesso Sottile, (...). LEES OOK : - , Grounding Practices Today.
VOETNOTEN : (1) In oude teksten wordt vaak naar " harde " en "zachte " gronderingen verwezen. Bij deze gronderingen werd dierlijke lijm als bindmiddel gerbuikt. Ondanks het feit dat deze lijmgrondering zeer hard werd noemde men het toch een " zachte " grondering. Met "zacht" werd bedoeld dat dat de laag beter kon worden geschuurd. Oliegronderingen blijven langer elastisch, maar worden met de tijd zo hard als lijmgronderingen. (2) Karel van Mander, Het Schilder-Boeck waer in Voor eerst de leelustighe Iueght den grondt der Edel Vry Schilderconst in Verscheyden deelen wort voorghedraghen , Paschier van Wesbvsch, Haarlem, 1604, fol. 257v. (3) Grondering met dierlijke lijm is te herkennen aan het feit dat wanneer men de vinger bevochtigt met water en wrijft over de te onderzoeken laag (bijv. aan de zijkant van het doek) deze kleverig zal worden. (4) Een grondering met dierlijke lijm kan herkend worden door met een natte vinger over de randoverslag van het doek te wrijven. Na een tijdje voelt deze randoverslag kleverig aan. |
||||||||