![]() |
ABOUT RESTORATION |
![]() |
|||||||
Restoration of Oil Paintings and Frames |
|||||||||
RESTAURATIE VAN SCHILDERIJEN |
|
||||||||
|
GESCHIEDENIS De oudste voorbeelden van beschilderd doek (linnen) zijn bekend in Egyptische, Griekse, Romeinse en Koptische graven. Verder zijn er beschilderde weefsels bekend uit de Precolumbiaanse culturen.
Egyptisch dodendoek (mumiedoek), beschilderd textiel,
In midden-Europa ontstonden in de vroege middeleeuwen de vastendoeken (1) (ook wel "hongerdoeken" genoemd), "wisselschilderijen" en "Antependia" : geschilderde voorhangen voor koorafslutingen en kerkaltaren. Deze schilderingen werden vervangen volgens de liturgische periode van het jaar en konden gemakkelijk getransporteerd worden, bijvoorbeeld naar een andere kerk. Daarom werd eerder doek dan hout gebruikt. Het doek werd dan op een houten raam gespannen.
Groot Vastendoek van Zittau , ca. 1472, 8.20m x 6.80 m, Van deze oorspronkelijke vastendoeken, wisselschilderijen en antependia hebben weinig de tand des tijds overleefd omdat ze vaak getransporteerd werden en bovendien geschilderd waren met weinig duurzaam materiaal. Lijmverf en kleurstoffen (pigmenten) (2) werden rechtstreeks op de geweven drager aangebracht. Die "verflaag" was erg watergevoelig, en liet gemakkelijk los van de drager. Later werden ze met olieverf op geprepareerd doek of op houten geschilderd. Antependia worden tot op heden gebuikt.
Antepenium op doek, Cattedrale di San Stefano, Prato, Italië In de Westerse wereld kwam pas in de 15e eeuw het "Ezelschilderij" op (ezelschilderen) (3) : schilderijen van geringe afmeting, die op doek of op paneel in het atelier van de schilder werden geschilderd. Deze schilderijen waren klein en gemakkelijke te transporteren. Tot de beroemste Italiaanse kunstenaars die voor het eerst op linnen doek schilderde behoorden Andrea Mantegna (1431-1506), Vittorio Carpaccio (1455 - 1525/1526), Giovanni Bellini (1430 - 1510) en Sandro Botticelli (1444 - 1516). Later, na 1500, zette de
olieverf-op-doek-techniek zich voort in Venetië. Om de duurdere wandtapijten in de palazzi te vervangen door goedkopere versieringen steeg de vraag naar de Tela Rensa" (= doek van Reims) en begonnen meer en meer kunstenaars op doek te schilderen.
Het schilderen op doek, de "Tüchlein Malerei" (ook "Tüchlein-maleret"(Duits), "Drapelet" (Frans), of het "waterverfschilderen op weefsel" genoemd) werd in Brugge al vanaf de 15e bedreven. Maar de Tüchlein schilders werden niet opgenomen in de St Lucasgilden (waar normaal gesproken alle kunstenaars lid van moesten zij om hun beroep te kunnen uitoefenen). Ze werden onder gebracht in het ambacht van de "cleederscrivers" of "cleerscrivers", dat een afzonderlijk ambacht samen met de glazeniers en de spiegelmakers was. De werkwoorden "klodderen", "kliederen" en "kladderen" komen uit het oud-nederlands en betekenen "kleerschilderen" ("doekschilder"). Een klodderaar is een oud scheldwoord voor een schilder die toch op doek schilderde. In de 17e eeuw waren Brugse waterverf-schilderingen op doek er populair en vonden gretige afzet in alle West Europese landen. Uit de inventarissen van Lorenzo de Medici weet men dat ook hij "panei Flandresco" en "panni di Flandria" in zijn bezit had. Het op een raam opgespannen en zeer fijn geweven linnen, werd in aanvang beschilderd met verven die met water werden aangemaakt. Die verven hadden veel verwantschap met wat wij nu "aquarel" noemen. Ondanks de grote watergevoeligheid en aantastbaarheid door schimmels en insecten zijn toch nog enkele fragmenten van grote werken gekend van onder andere Albrecht Dürer(1471-1528), Hans Bol (1534-1593) en Dirk Bouts (1410-1475). Ook zijn er dergelijke werken bekend van van der Weyden (1471-1528), Pieter Breughel de Oude (1520-1569) en van Hugo van der Goes. (1440-1482). In Frankrijk : Jean Fouqet (1420-1480).
Dirk BOUTS (toegeschreven aan), De Emmaüsgangers, tüchlein, 16de eeuw, "Tüchlein" werden herhaaldelijk opgerold en meegenomen. Dit verklaart waarom ze vaak in zeer slechte toestand worden teruggevonden. Ook werden vele Tüchlein slecht gerestaureerd : zewerden vooral in de negentiende eeuw vaak met olieverf overschilderd en zijn als dusdanig niet meer te herkennen. De Tüchlein techniek herleeft in de 19e eeuw maar is dan in de eerste plaats bedoeld als opgespannen behang in herenhuizen. In Antwerpen zijn er nog verschillende voorbeelden bewaard gebleven. Ze kunnen vergeleken worden met de wijze waarop vandaag nog toneel- en operadecors worden beschilderd.
Fig. 3 Op ongeprepareerd doek geschilderde Aaanvankelijk wordt heel fijn geweven doek gebruikt. Vanaf de 17e eeuw gebruiken de schilders grover doek. Hier werd dan niet meer onmiddellijk op het weefsel geschilderd maar op een "grondering", een preparatielaag. Vanaf de 17e eeuw wordt het doek de meest gebruikte drager voor het schilderen met olieverf, met eiwittempera en met lijmtempera.
VOETNOTEN : (1) Een grote rechthoekige doek hing in de middeleeuwen gedurende de veertigdaagse vastentijd tussen het schip en het priesterkoor om, als een vorm van boetedoening, het zicht op het hoogaltaar te benemen. Over het algemeen voorzien van voorstellingen die het lijdensverhaal van Jezus in beeld brengen om de vrome aandacht te richten. De huidige hongerdoek is hiervan een afgeleide. De hongerdoek hangt in de vastentijd op de grens van koor en schip. (2) Doorgaans werden pigmenten (kleurstoffen) gemengd met lijmwater. De lijm
- die als bindmideel diende - bestond uit dierlijke lijm of uit kleverige
plantesappen. Benodigdheden : (voor 2 liter verf)
(3) Ezelschilderen wordt gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen het schilderen van draagbare, relatief kleine schilderijen en andere vormen van schilderen, zoals het maken van muurschilderingen, het illumineren van manuscripten, of het decoratief beschilderen van voorwerpen. |
||||||||